Ons antwoord gevraagd (Mc. 8,29)

 

Het is misschien nog best dat we niet alles weten wat anderen over ons denken.

Iemand moet soms zeer kwaad zijn en dan moeten we goed luisteren want wij horen dan wellicht zaken over ons die ze anders niet zeggen.

Was dit de bedoeling van Jezus, wanneer hij aan zijn leerlingen de vraag stelde:

“Wie zeggen de mensen dat ik ben?”

Een bijzonder iemand

Zijn leerlingen geven in feite mooie antwoorden. Jezus is niet de eerste de beste. Zijn leerlingen verwijzen naar en vergelijken hem met grote religieuze figuren. Vooreerst met Johannes de Doper, die hebben ze zelf gekend. Jezus was door Johannes gedoopt en hij was er mee verwant zowel familiaal als geestelijk.

Anderen verwijzen naar Elia, een van de grote profeten, een ijveraar voor God, een man gezonden naar een arme weduwe in Sarepta, de stapper door de woestijn waar hij moedeloze momenten beleefde, de man in gesprek met God op de Horeb en dan weggenomen van de aarde. Van Elia werd gezegd dat hij zou terugkeren. Zou dit dan Jezus niet kunnen zijn.

Anderen zijn wel wat vager en zij vermoeden dat Jezus een van de profeten is, die door God wordt gezonden om het volk te wekken. Een profeet kan niemand onverschillig laten.

Het zijn positieve uitspraken. Er zijn andere dingen gezegd over Jezus, dit door mensen die hem niet goed gezind waren. Die beweerden dat hij van de duivel was bezeten. Hem werd verweten dat hij een bon vivant was, een gulzigaard en een dronkaard. Hun zwaarste verwijt was dat hij omging met zondaars (Mc. 2,16; Lc 7,34). Jezus wist wat zijn tegenstanders over hem beweerden. Zijn antwoord hierop was duidelijk: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken” (Mc. 2,17).

Het antwoord van Petrus

Jezus wou weten wat zijn leerlingen zelf dachten, zij die hem gevolgd waren en al een tijd met hem onderweg waren. Zij waren overtuigd dat zij degene gevonden hadden over wie het eigenlijk ging, de gezalfde van God, de Messias verwacht door zovelen (Joh. 1,41,45). Petrus geeft een klaar en duidelijk antwoord op de vraag van Jezus: “Gij, wie zegt gij dat ik ben?” en hij antwoordt: “Gij zijt de Christus.”

Ze zitten daarmee op het juiste spoor, maar ze moeten dit nieuws nog niet uitbazuinen. Jezus tempert hun verwachtingen vooral door erop te wijzen dat zijn leven op tegenstand stoot en er nog meer zal op botsen. Jezus voorspelt zijn lijden. Dit betekent een schok voor Petrus en gezellen. Jezus zegt hun duidelijk dat hun keuze voor hem lijden inhoudt. Wie hem volgt, moet zelf het kruis opnemen. Het is niet zo dat wij het lijden moeten zoeken. Maar een keuze voor het goede houdt een dosis lijden in. Geloof eist trouw. Deze boodschap horen we o.a. in de brief aan de Hebreeën: “Zie naar Jezus, de aanvoerder en de voltooier van ons geloof…. Hij heeft het kruis op zich genomen…. Denk aan Hem die zoveel tegenwerking te verduren had; dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven. Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost” (Hebr. 12, 2-4).

Een man met het kruis

Wij vieren deze week het feest van de Kruisverheffing. Wij volgen Jezus op zijn kruisweg, kijken naar de staties die hij aflegt.

Bij de afbeelding van de staties van de kruisweg is er deze van de kruisopneming. Armand de Meulemeester schilderde de kruisweg van de stilte. Deze hangt in de Sixtusabdij van Westvleteren. Dom André Louf schreef bij deze statie een korte tekst:

“Hij heeft het kruis op zijn schouders genomen, met de zon bloedrood in zijn rug, en vol verwachting de nacht instarend die straks aansluipt.

De ruwe houtblok omarmt Hij en drukt Hij tegen zich aan.

Zijn hoofd vleit Hij erop neer, zachtjes of vurig, zoals de minnaar het doet met zijn welbeminde. Is er liefde in zijn hart? Is er vreugde? Alleen mateloos vertrouwen.

Over het hout heen heeft Hij beide handen tot gebed samengevouwen.

Is dit niet het Uur waarop Hij zo ongeduldig wachtte?

Is nú niet de doop waarin Hij zo hevig verlangde te worden ondergedompeld?”

Het antwoord van onze tijdgenoten

De vragen van Jezus aan zijn leerlingen zijn eveneens de vragen die hij nu aan ons stelt.

Weten we wat de mensen hier nu over Jezus zeggen? Wordt hij nog wel zoveel vernoemd? In de krant was er wel iets te lezen over de film ‘De Zwarte Jezus’ en over een Passiespel.  Wat vinden we op Wikipedia of elders als we de naam ‘Jezus van Nazareth’ intikken?

Er zijn mensen die de kerk verlaten en daarbij ook Jezus vaarwel zeggen, maar er zijn er ook die hem ontdekken en naar hem toegaan. Hoeveel zijn er nog? Hoeveel zijn er al? Twee vragen met een verschillende teneur.

Waar en wanneer hoor ik mensen rondom mij iets over Jezus zeggen? Een jonge zorgvrager zegt dat hij meer houdt van het boeddhisme, maar hij vergeet toch niet wat hij tijdens de vormselcatechese over Jezus heeft vernomen. Er is er een die goed thuis is in de Bijbel en die vraagt om hem meer over Jezus te vertellen. Er was ook de man die bij een kennismaking zei: “Je mag alles zeggen maar zwijg over Jezus”. Een moslima sprak over de Koran, waarin Jezus als belangrijke profeet gekend is. En dan zijn er die er weinig over zeggen maar trouw aanwezig zijn in de wekelijkse viering en daardoor belijden dat Jezus hen voedt en ondersteunt. En er is de grote groep, voor wie Jezus een vreemde en onbekende is geworden.

Wie zeggen wij dat Jezus is

Wie zegt gij dat ik ben? Voor een persoonlijk antwoord moeten we in de stilte van ons hart bidden en luisteren. Jezus, de man van lang geleden, die we mogen aanspreken en tot wie wij mogen bidden. Jezus, hij is gids, leraar, vriend, ”Jezus, die zaad zijt en water en wijn, die woord en brood zijt, al wat wij zijn” (ZJ 526). Jezus, van wie wij geloven dat hij woorden heeft van eeuwig leven en dat hij de echte solide wereld is. Hij die me opvangt. Jezus, zoon van de Vader en gedreven door de Geest.

Een monnik van Westvleteren gaf onlangs de suggestie om de vraag “Wie zegt gij dat Ik ben?” om te keren en de vraag te overwegen: “Wie zegt Jezus dat ik ben?” Jezus, hij kent ons zitten en opstaan, onze goede wil en onze zwakheid, ons gebrek aan moed om in zijn spoor te stappen en om uit te drukken dat het geloof in hem ons gelukkig maakt, Durven we zoals Andreas en Filippus spreken en getuigen dat Jezus de Christus is?

Op onze vraag aan Jezus “Wie ben ik voor u?” zal zijn antwoord allicht zijn: “Lieve mens, jij bent degene die ik al heel je leven lang roep, zoek en bemin, ook wanneer jij daarbij tegenkrabbelt en er nadien spijt over hebt.”

De stem van Jezus blijft hoorbaar en ze vernieuwt. In zijn boek De Laatste Christen schrijft Marcel Verhelst: “Het is hoogdringend dat de kerk zich heruitvindt in deze seculiere tijd, zonder al het goede dat ze in tweeduizend jaar voortgebracht heeft van tafel te vegen. Maar dat gebeurt alleen van onderuit, wanneer alle individuele gelovigen overtuigd en actief naar de ware communio streven en eraan deelnemen. Gezamenlijk kunnen ze de hervorming wel aan, ook als leidinggevenden soms op de rem gaan staan. Er zijn echter ook altijd bondgenoten en zelfs voortrekkers in de hoogste regionen van de kerk geweest. Bij hen voel ik mij nog altijd thuis.

En… ja, vergeet vooral Jezus Christus niet… , het Woord, door de Geest gezalfd en aan de wereld geschonken als de levende aanwezigheid van de transcendente Liefde die we God noemen. En…ja, God (Jahweh, de Vader) is nog altijd bij hem en hij is nog altijd bij God.

Dat is wat wij in elke eucharistieviering belijden. Het Grote Dankgebed (in het Grieks: Eucharistia) eindigt altijd met de woorden:

Door hem en met hem en in hem

Zal uw naam geprezen zijn,

Heer, onze God, almachtige Vader,

in de eenheid van de heilige Geest,

hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.”

(Marcel Verhelst, De laatste christen, p. 156)

Marcel Verhelst, De laatste christen, Uitgeverij Averbode/Erasme nv. 2019

Jezus erkennen als de Christus houdt in dat wij met hem meegaan naar Jeruzalem.

Ook al moet ik hier spot en hoon

verdragen, u blijft ook in mijn lijden,

Jezus, mijn vreugde.

Jezus, bron van onze vreugde. Jesu, meine Freude!

Antoine Rubbens